Het Vierkant in Lisse

Bij familiegeschiedenis spelen namen een belangrijke rol. Het gaat daarbij niet alleen om persoons- en familienamen, maar ook om geografische namen (of toponiemen). Je kunt dergelijke namen uiteraard gewoon voor kennisgeving aannemen. Soms is het echter interessant om dieper in de herkomst van een naam te duiken. Tijdens mijn naspeuringen in het archief van de gemeente Lisse stuitte ik bijvoorbeeld op verschillende benamingen voor het oude dorpsplein.

Driehoekig Vierkant

Het oude dorpsplein van Lisse wordt ook wel het Vierkant genoemd. Een vreemde naam, aangezien het plein niet vierkant, maar eerder driehoekig is. Hoewel niet alle kaarten even duidelijk zijn, dateert deze driehoekige vorm op zijn minst uit het eerste kwart van de zeventiende eeuw.

Wanneer de benamingen van het dorpsplein van Lisse chronologisch op een rijtje worden gezet, blijkt de naam Vierkant pas vanaf de jaren dertig en veertig van de zeventiende eeuw gemeengoed te zijn geworden. Sinds die tijd wordt bijna uitsluitend gesproken van huizen en erven die gelegen zijn ‘in het vierkant van het dorp’. Tegenwoordig heeft men het meestal over ‘op het Vierkant’.

Het dorpsplein van Lisse, detail van een kaart uit 1615 (coll. Erfgoed Leiden en Omstreken).

Omdat het Vierkant niet vierkant is, zijn onderzoekers op zoek gegaan naar andere verklaringen voor deze naam:

  • ‘Vier’ zou als ‘vuur’ gelezen moeten worden (Vierkant=vuurbaak).
  • Er werd recht gesproken door de vierschaar (binnen een vierkante opstelling).
  • Er waren vier in- of uitgangen (twee keer de Heereweg, de Grachtweg en de Achterweg).

Een definitieve conclusie heeft dit onderzoek nog niet opgeleverd. Wel blijkt het Vierkant niet de oudste naam van het dorpsplein te zijn.

Dorpsplaats en groeneveld

In de jaren voor 1637 stond het Lissese dorpsplein bekend als ‘het dorpsplaats’. Nog eerder komt het ook als ‘de groene plaats’ en ‘het groeneveld’ in de archiefstukken voor:

18-09-1582: het groeneveld van het dorp.
03-07-1586: het groeneveld van het dorp.
03-10-1588: het groeneveld van het dorp.
28-05-1590: het groeneveld van het dorp.
23-01-1591: de groene plaats van het dorp.[1]
26-04-1592: het groeneveld van het dorp.
10-03-1594: het groeneveld van het dorp.
30-12-1595: het dorpsplaats.
06-08-1606: het dorpsplaats.
21-02-1611: het dorpsplaats.
27-10-1615: het dorpsplaats.
19-10-1637: het vierkant van het dorp.
02-08-1640: het vierkant van het dorp.
19-07-1644: het vierkant van het dorp.

De woorden ‘plaats’ en ‘veld’ hebben meerdere betekenissen, maar kunnen allebei verwijzen naar een plein in een stad of dorp. Bij een plaats ging het dan in het bijzonder om een plein waar de kerk en het raadhuis aan lagen en waar de markt en volksbijeenkomsten werden gehouden.

Deze situatie was ook van toepassing op Lisse, zij het dat in de hier besproken periode een echt raadhuis ontbrak. Er werd recht gesproken in de buitenlucht, of in een herberg aan het dorpsplein.

Dat het dorpsplein van Lisse ook wel groeneveld of groene plaats werd genoemd, lijkt erop te wijzen dat het met gras was begroeid.

Vermelding van het groenevelt in Lisse in een transportakte uit 1594 (coll. Erfgoed Leiden en Omstreken).

De informatie die je op deze manier kunt achterhalen, is lang niet altijd compleet. Toch helpt zo’n onderzoek om een beter beeld te krijgen van de plaats waar je voorouders hebben gewoond. Het verschaft context. Neem dus ook eens de tijd om in de herkomst van een toponiem te duiken.

Dat hoeft niet altijd op basis van eigen onderzoek. Het is ook mogelijk dat lokale historische  verenigingen al een en ander in kaart hebben gebracht. Neem daarom voor je begint altijd even contact op met de vereniging van de plaats waar je onderzoek wilt doen.

Bronnen: FamilySearch en Woordenboek der Nederlandsche Taal.

Noot
[1] Dankzij twee transportakten uit dit jaar is duidelijk dat ‘het groeneveld’ en ‘de groene plaats’ allebei betrekking hadden op het dorpsplein.

Erkenning van een kind in 1683

De erkenning en wettiging van buiten het huwelijk geboren kinderen is in Nederland sinds 1838 geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Het kan onder andere plaatsvinden bij huwelijk van de ouders:

‘Kinderen buiten huwelijk verwekt, met uitzondering van degenen die in overspel of in bloedschande zijn geteeld, worden door het opvolgend huwelijk van hunnen vader en hunne moeder gewettigd, wanneer deze hen, vóór het aangaan des huwelijks, wettiglijk hebben erkend, of wanneer die erkenning plaats heeft bij de akte van voltrekking zelve.’

Wie veelvuldig huwelijksakten raadpleegt uit de negentiende en twintigste eeuw, komt met enige regelmaat erkenningen tegen. Voorbeelden uit de zeventiende en achttiende eeuw zijn veel zeldzamer. In het trouwregister van het gerecht (de schout en schepenen) van Voorschoten is zo’n vroeg voorbeeld te vinden.

Het dorp Voorschoten in 1640 (coll. Erfgoed Leiden en Omstreken).

Harmanus Brinck

Het voorbeeld heeft betrekking op een kind van Harmanus Brinck. Harmanus was afkomstig uit Doetinchem, maar woonde in de tweede helft van de zeventiende eeuw in Oegstgeest en Voorschoten. Hij verdiende zijn brood als hovenier en tuinman, onder andere op Oud-Poelgeest in Oegstgeest. Deze buitenplaats was eigendom van de zeer welgestelde Constantijn Sohier de Vermandois. Hij liet het huis omstreeks 1668 bouwen ter vervanging van een tot ruïne vervallen middeleeuws kasteel.

Verklaring van Harmanus Brinck, hovenier op Oud-Poelgeest, uit 1670. Hij ondertekende als ‘Harmanus Brinck’ (coll. Erfgoed Leiden en Omstreken).

Harmanus Brinck is voor zover bekend driemaal getrouwd. Eerst met Annetje Pietersdr, daarna met Aarlandia van Bemmel en tenslotte met Maria Pietersdr Jongbloet. Zijn derde huwelijk werd in 1683 gesloten voor de schout en schepenen van Voorschoten. Voor rooms-katholieken, zoals Harmanus, was trouwen voor het gerecht de enige manier om een rechtsgeldig huwelijk te sluiten. Huwelijken die waren gesloten door een rooms-katholieke priester werden in de calvinistische Republiek namelijk niet erkend.

Buitenechtelijke dochter

In de trouwinschrijving uit 1683 lezen we het volgende:

‘soo hebben sij den anderen de hant gegeven, ende als wettelicke man ende vrou aengenomen, mitsgaders het kint tusschen haer beyden voors dato deses verwect, mede genaemt Aerlandia, als een echt kint erkint [erkend], ende verclaert daervan de rechte vader ende moeder te sijn.’

Aarlandia Brinck, vernoemd naar de overleden tweede echtgenote van Harmanus, was dus buiten het huwelijk verwekt. Harmanus en Maria vonden het in dit geval belangrijk om haar bij hun huwelijk officieel te erkennen. Dankzij deze handeling kreeg Aarlandia de familienaam van haar vader en kon zij van beide ouders erven.

Bronnen: FamilySearch, Erfgoed Leiden en Omstreken, Burgerlijk Wetboek 1838 en R.F. Vulsma, Burgerlijke stand en bevolkingsregister (2e druk, Den Haag 2002).

Een referendum uit 1798

Op Delpher, een website van de Koninklijke Bibliotheek, kun je grasduinen in tal van Nederlandse kranten, boeken en tijdschriften. Een aanrader voor iedereen die zich bezig houdt met stamboomonderzoek.

Zelf vond ik onlangs een onverwachte verwijzing naar een voorouder aan mijn moeders kant. Het betrof Hendrik Jansz Rutgrink uit het Noord-Hollandse Grosthuizen. Zijn naam dook op in een publicatie uit 1798, die werd uitgegeven onder deze uitgebreide titel: Naamlyst der geenen welke hunne hoop en verwagting, dat eene constitutie op gronden van een- en ondeelbaarheid gebouwd, aan het Bataafsche volk zal aangeboden worden, by requeste aan de eerste Nationaale Vergadering, representeerende het gemelde volk, hebben te kennen gegeeven.

De inwoners uit Grosthuizen, Avenhorn en Scharwoude die in 1798 voorstander waren van de nieuwe grondwet (coll. Koninklijke Bibliotheek).

Bataafse Republiek (1795-1806)

In de bovengenoemde publicatie worden onder het kopje ‘Grosthuizen, Avenhorn en Scharwou’ in totaal 28 personen vermeld, waaronder Hendrik Rutgrink. Dat betekent dat hij een voorstander was van de nieuwe grondwet van de Bataafse Republiek. Familiegeschiedenis valt hier mooi samen met belangrijke historische ontwikkelingen.

De regering experimenteerde in deze tijd namelijk met vormen van directe democratie. In 1797 en 1798 werden twee landelijke referenda gehouden om goedkeuring te vragen voor ontwerpen van een grondwet. Het eerste referendum werd verworpen, het tweede aangenomen. Daarmee was de eerste grondwet van Nederland een feit. Onder de voorstemmers bevonden zich in 1798 veel rooms-katholieken. De voorgestelde grondwet beloofde hen namelijk vrijheid van godsdienst en regelde de verdeling en teruggave van de door de protestanten geconfisqueerde kerken.

Wellicht speelde dat ook een rol bij de keuze van de rooms-katholieke Hendrik Jansz Rutgrink. Zijn motivaties zijn echter niet overgeleverd. Daardoor kan alleen worden vastgesteld dat hij het belangrijk vond dat de nieuwe grondwet werd ingevoerd.

Overlijdensakte van Hendrik Jansz Rutgrink (coll. Noord-Hollands Archief).

Duitse immigrant

Hendrik Jansz Rutgrink was een immigrant uit het Duitse Münster. Het is op dit moment niet duidelijk of daarmee de stad of het gelijknamige bisdom werd bedoeld. Hendrik vestigde zich als kleermaker in Grosthuizen, waar hij in 1786 trouwde met Guurtje Maartensdr Schouten. Hun nakomelingen woonden daarna nog meerdere generaties in Grosthuizen, waar ze onder andere als arbeider hun brood verdienden.

Bronnen: Delpher en J. de Jong, Democratie in kinderschoenen. Twee referenda: Nederlanders stemmen over hun eerste grondwet, 1797-1798 (Enschede 2018).

Ingeschreven ‘uyt oude kladden’

Wie met stamboomonderzoek terechtkomt in de periode voor de burgerlijke stand (1811), is voor de basisgegevens afhankelijk van doop-, trouw- en begraafregisters.

Het opstellen van dergelijke bronnen is mensenwerk, dus je moet altijd bedacht zijn op fouten of omissies. Dat geldt zelfs voor de akten van de burgerlijke stand. Het zijn lang niet altijd cruciale zaken, maar soms kan het onderzoek vastlopen omdat bepaalde inschrijvingen verloren zijn gegaan.

Zicht op Zwartsluis in 1700 (coll. Collectie Overijssel).

Doopregister Zwartsluis

In het Nederduitse Gereformeerde doopregister van Zwartsluis uit de periode 1657-1731 zijn meerdere voorbeelden te vinden van informatie die verloren ging. Dat hield verband met de werkwijze. De doopinschrijvingen werden namelijk eerst op kladjes genoteerd voordat ze in het register werden opgenomen. In Zwartsluis gebeurde dat ook wel door de schoolmeester. In het doopregister lezen we namelijk het volgende: ‘Anno 1705. Dese volgende [doopinschrijvingen] zijn mij, W. Kramer, schoolmeester, ter hand gestelt om alhyr ingeschreven te worden uyt oude kladden.’ Er wordt niet uitgelegd waarom dat nodig was. Misschien was een ouder register verloren gegaan, of waren de kladjes überhaupt nog niet verwerkt. Wel is duidelijk dat ze niet op een chronologisch logische plek in het doopregister zijn opgenomen.

Schoolmeester Willem Jansz Kramer

De bovengenoemde aantekening was toegevoegd door Willem Jansz Kramer, die op 20 januari 1705 werd aangesteld tot schoolmeester van Zwartsluis. Hij verving de kort daarvoor overleden Jacobus van Apperloo. Voordat Willem in Zwartsluis terechtkwam, was hij enige tijd schoolmeester in het Drentse Hoogeveen.

De doopinschrijvingen die door hem ‘uyt oude kladden’ werden toegevoegd, hadden betrekking op de jaren 1657-1664. Dus ruim voor de aanstelling van Willem Kramer als schoolmeester. Daarnaast was hij niet opgegroeid in Zwartsluis. Daardoor kon de schoolmeester niet zomaar op zijn geheugen terugvallen wanneer de informatie op de kladjes te beperkt was. Vooral de naam van de moeder lijkt met enige regelmaat te ontbreken. In die gevallen noteerde Willem alleen de naam van de vader, of verklaarde hij heel expliciet ‘de naam der moeder is mij onbekent.’

Hoewel dit vervelend kan zijn, hoeft je onderzoek hierdoor niet meteen op een dood spoor te belanden. Lastig wordt het, wanneer Willem Kramer alleen de voornaam van een kind weet, en niet de namen van de ouders. Of wanneer hij noteert ‘nog 3 gedoopt, maar de namen vergeten’.

Op 21 april 1706 liet schoolmeester Willem Jansz Kramer een zoon dopen in de Nederduitse Gereformeerde kerk van Zwartsluis (coll. FamilySearch).

In dit geval is het gelukkig duidelijk dat de gegevens in het doopregister van Zwartsluis incompleet zijn. Incidentele inschrijvingen die over het hoofd zijn gezien, vallen echter veel minder goed op. Kijk dus ook altijd kritisch naar de bron die je gebruikt. Het ontbreken van gegevens bewijst namelijk lang niet altijd dat iets niet is gebeurd, of dat je een ander register moet raadplegen.

Bron: FamilySearch.

De hond die de preek verstoorde

Bij onderzoek naar protestantse voorouders of familieleden vormen de handelingen van de kerkenraad een interessante aanvullende bron. Ze geven een aardig beeld van het reilen en zeilen binnen een gemeente. En af en toe duikt er ook een bijzonder verhaal op. Een achttiende-eeuwse preek die werd verstoord door een hond, is daarvan een mooi voorbeeld.

Het drostambt Vollenhove in 1734, waar onder andere ook Wanneperveen toe behoorde (coll. Collectie Overijssel).

Een hoop rumoer

De betreffende preek werd gehouden op zondag 23 februari 1710 in de Nederduitse Gereformeerde kerk van Wanneperveen. Predikant Gerardus Hilarius werd toen zodanig gestoord door het rumoer van een hond, dat hij zowel ‘van sijn gedagten als van zijn tekst afraakte.’ De hond in kwestie zat opgesloten in het doophuis en probeerde daar met veel kabaal uit te ontsnappen.

‘Met dove oren’

Schoolmeester Pieter Ruyl, die blijkbaar actie moest ondernemen, hoorde alles ‘met dove oren’ aan. Daarom riep Gerardus vanaf de kansel ‘meester staat op en doet de hond de deur op, die belet mij!’ Pieter bleef echter stoïcijns zitten, alsof hij de predikant bespotte, en stak geen hand uit. Uiteindelijk schonk een vrouw, die bij het doophuis zat, de hond de vrijheid en werd het weer rustig in de kerk.

Een passende straf?

Naar aanleiding van dit voorval eiste Gerardus Hilarius dat Pieter Ruyl door de kerkenraad werd gestraft. Gebeurde dat niet, dan zou hij de hulp van de drost van Vollenhove inschakelen om de schoolmeester alsnog op zijn vingers te tikken.

Volgens Pieter had hij zitten slapen en was daarom alle commotie rondom de hond aan hem voorbij gegaan. Hij verontschuldigde zich, beloofde beterschap en hoopte op vergiffenis.

Toen Gerardus deze verklaring hoorde, beschuldigde hij de schoolmeester van liegen. Hij was bereid om Pieter te vergeven, maar die diende dan wel te worden gestraft. Daarnaast had de predikant nog twee andere eisen. Ten eerste moest de schoolmeester er voor zorgen er geen honden meer opgesloten raakten in het doophuis. En ten tweede diende Pieter hem voortaan netjes te gehoorzamen wanneer hij opdrachten gaf die verband hielden met de godsdienstoefening.

Of Pieter Ruyl inderdaad werd gestraft, wordt niet vermeld. Wel blijkt er vaker over deze schoolmeester te zijn geklaagd. Zo kwam hij regelmatig te laat op school. Daarnaast overhoorde hij sommige kinderen te veel en andere kinderen te weinig. Ook sloeg hij zijn leerlingen soms ‘ongenadig en beulagtig’ op het hoofd, en ging hij liever vissen dan dat hij les gaf. Op de dagen dat hij viste, liet hij het onderwijs over aan zijn vrouw of aan haar zus. Duidelijk een man die ‘enige sturing’ nodig had.

Bron: Collectie Overijssel.

Een moord en plotseling overlijden

Bij het doorspitten van overlijdens- en begraafregisters vind je meestal geen informatie over de omstandigheden waaronder iemand overleed. Dat geldt eveneens voor het rooms-katholieke overlijdensregister van Hilversum uit de periode 1687-1708. Toch zijn daarin ook enkele beschrijvingen opgenomen die wat dieper ingaan op het overlijden van de betreffende persoon. Het gaat daarbij om situaties waarbij iemand plotseling overleed, of onder bijzondere omstandigheden. In deze bijdrage wordt aandacht geschonken aan twee van die beschrijvingen.

Zicht op Hilversum in de 17e eeuw (coll. François Renoù).

Een ‘schrickelijck misdaat’

De eerste beschrijving heeft betrekking op Jacob Dierten, een ‘geestelijk jongman‘. Dat laatste betekent dat hij een aan God gewijd leven wilde leiden. Op 13 november 1698 werd Jacob ‘deerlijck vermoort’ aangetroffen in zijn huis. Zijn keel was doorgesneden met 4 à 5 sneeën.

De vermoedelijke dader was een vreemdeling, aan wie Jacob Dierten uit barmhartigheid enkele dagen onderdak had verleend. Na ontdekking van het levenloze lichaam bleek deze vreemdeling met de noorderzon te zijn vertrokken.

Dat hij zo’n ‘schrickelijck misdaat’ kon begaan tegen de persoon die hem uit mededogen kost en inwoning had verstrekt, was onvoorstelbaar. Er werd echter troost geput uit het feit dat Jacob Dierten altijd een godvrezend man was geweest, met veel compassie voor de minder bedeelden in zijn omgeving. Daardoor wist men zeker ‘dat zijn ziel d’eeuwige rust gekregen heeft.’

‘Schierlijck’ gestorven

In de tweede beschrijving staat chirurgijn Philippus Clement centraal. Hij trouwde in 1675 met Johanna Maria Wellekens. Uit de ondertrouwinschrijving blijkt dat beide echtelieden op dat moment in Amsterdam woonden, maar dat hun wieg ergens anders had gestaan. Philippus was namelijk afkomstig uit het Duitse Engen, terwijl Johanna Maria vanuit het Vlaamse Aalst naar Amsterdam was getrokken. Zij verhuisden kort na hun huwelijk naar Hilversum, waar tussen 1676 en 1691 meerdere kinderen werden gedoopt.

Toen Philippus Clement op 15 september 1699 om twee uur ’s middags vanuit Laren naar Hilversum wandelde, viel hij plotsklaps achterover. De oorzaak is onbekend, maar Philippus vertoonde meteen daarna geen enkel teken van leven meer. Dat hij zo ‘schier-lijck’ (plotseling) gestorven was, terwijl hij kort daarvoor nog onbekommerd wandelde en praatte, maakte zoveel indruk dat het in het overlijdensregister is opgenomen.

Ondertrouwinschrijving van Philippus Clement en Johanna Maria Wellekens (coll. Stadsarchief Amsterdam).

Bronnen: FamilySearch en Stadsarchief Amsterdam.

De kamerling van paus Adrianus VI

De in Utrecht geboren Adriaan Florisz Boeyens (1459-1523) werd in 1522 tot paus verkozen. Als Adrianus VI stond hij slechts een jaar aan het hoofd van de Rooms-Katholieke Kerk. Omdat zijn verkiezing 500 jaar geleden plaatsvond, wordt er in het Adrianusjaar 2022-2023 extra aandacht geschonken aan deze Utrechtse paus.

Portret van paus Adrianus VI door Jan van Scorel (coll. Centraal Museum Utrecht).

Bijna 100 jaar na zijn overlijden duikt de naam van Adrianus VI ineens op in het rechterlijk archief van Heemstede. Dat hield verband met een weddenschap tussen Willem Albertsz en Joris Woutersz, die respectievelijk als bleker en hovenier werkzaam waren.

Herbergpraat

Begin januari 1612 verpoosden beide heren enige tijd in herberg ‘Wittensburg’ te Heemstede, alwaar zij met elkaar aan de praat raakten. Op een zeker moment beweerde Willem Albertsz dat zijn niet met naam genoemde ‘bestevader’ (grootvader) kamerling was geweest van paus Adrianus VI. Na het overlijden van de paus ontstond er ‘eenichge commotie ende oproer’ waardoor de grootvader van Willem gedwongen was om Rome te ontvluchten. Onderweg moest hij zijn paard opnieuw laten beslaan door een hoefsmid, maar daarna wist hij zonder problemen Den Bosch te bereiken. Daar werd hij om niet nader gespecificeerde redenen korte tijd gevangen gehouden en weer vrijgelaten.

Weddenschap

Toen Joris Woutersz zijn verhaal maar niet wilde geloven, besloot Willem Albertsz om een weddenschap met hem aan te gaan. Als Joris hem een daalder gaf, zou Willem aan Joris tien daalders uitbetalen wanneer mocht blijken dat hij zijn verhaal verzonnen had.

Rechtszaak

Willem Albertsz beschikte volgens eigen zeggen over een schriftelijke verklaring van de magistraat van Den Bosch. Toch heeft hij die niet aan Joris Woutersz laten zien. Laatstgenoemde spande daarom een proces aan, waarbij hij eiste dat Willem de betreffende ‘certificatie’ alsnog zou overleggen. Deed hij dat niet, dan moest hij worden veroordeeld tot betaling van de tien daalders.
De schout en schepenen van Heemstede gingen daar uiteindelijk niet in mee. Zij veroordeelden Willem Albertsz op 26 februari 1612 tot terugbetaling van de daalder die Joris Woutersz hem had gegeven. Deze rechterlijke uitspraak kende een Bourgondisch tintje. Onder de handtekeningen van de betrokken schepenen treffen we namelijk ook die van Cornelis Cornelisz van Bourgondiën aan.

Handtekening van Cornelis Cornelisz van Bourgondiën (coll. Noord-Hollands-Archief).

Bron: Noord-Hollands Archief.

Wat is Burgundica et varia?

Tijdens het stamboomonderzoek duiken regelmatig leuke, interessante of opmerkelijke zaken op, die lang niet altijd een plek kunnen krijgen in het verhaal dat op deze website wordt verteld.

Omdat dergelijke archiefvondsten zich meestal wel goed lenen voor korte verhaaltjes, is deze berichtenpagina in het leven geroepen. Zoals de naam al aangeeft, kunnen de bijdragen betrekking hebben op de familie Van Bourgondiën en op vele andere onderwerpen.

Titelblad van ‘Opera historica omnia Burgundica, Austriaca, Belgica’, geschreven door Pontus de Huyter (coll. Google Books).